Luk Van Soom

Luk Van Soom
Osmunda Rossa (2016) | 180 x 330 x 110 cm | polyester - roestvrij staal
Terwijl ik weg was (2013) | 160 x 100 x 60 cm | gips - hout - goudverf
Dormire su una nuvola (2014) | 60 x 200 x 170 cm | gips - hout - goudverf
Biography: 

Luk Van Soom werd op 27 oktober 1956 in Weelde-Statie geboren. Zestig jaar later heeft hij tal van spraakmakende tentoonstellingen, opdrachten en projecten op zijn naam staan in binnen- en buitenland. Zo vertegenwoordigde hij België op de Wereldtentoonstelling van Spanje (1992) en zette hij voor Beaufort (2006) een twaalf meter hoge lampenboom op het strand van Middelkerke. Daarnaast creëerde hij meer dan 50 werken in de openbare ruimte in Nederland en België, waaronder stadsgezichten als Walhalla (1993, Antwerpen), De Man van Atlantis (2003, Brussel), The Wharfinger (2005, Zwolle) en Walking to Magdalena (2012, Oostende). 

In 2015 werd hij ontvangen door paus Franciscus, aan wie hij een exemplaar van zijn kruisbeeld-variant Oh Superman! (2010) overhandigde. Voor zijn monografie Into view - Tevoorschijn mocht hij niet alleen rekenen op de inbreng van kunstkenners als Lisette Pelsers, Jan Teeuwis, Stef van Bellingen, Sara Weyns en Geerdt Magiels; maar ook van mensen uit andere vakgebieden, zoals Rik Torfs, Frank De Winne en Christine Van Broeckhoven.

Met zijn recente sarcofaagreeks blaast Luk Van Soom meer dan ooit leven in zijn beelden met behulp van gipsen mallen en goudverf.

Text: 

Into view - Tevoorschijn

Niemand kan Luk Van Soom ooit verwijten dat hij niet verrassend uit de hoek komt. Maar zijn nieuwe reeks verwondert niet alleen door de beeldtaal. De gipsen mal, altijd met een steunconstructie omdat ze anders in elkaar stuikt, is een eeuwenoude techniek in de beeldhouwkunst. Volgens de regels van de kunst vervaardigt hij een halve mal, die wordt overeind gehouden door een ruw steunskelet van houten latten. De holle binnenkant beschildert hij met goudverf. En simsalabim, het negatieve beeld verschijnt voor onze ogen als een positief beeld. Een gouden geest van gene zijde.

Terwijl ik weg was, zegt een zich manifesterende geest laconiek. Of kwam hij opdagen terwijl de kunstenaar even weg was? Duidelijk een beeld van Van Soom met die typerende sporen van zijn handbewegingen. Voor de rest is het anders dan anders. Aan de ene kant loopt de gipsen gedaante zich vast in de houten latten en aan de andere kant komt een man in adamstenue naar ons toe. Een beetje zoals de beroemde Slaven van Michelangelo zich uit het blok marmer worstelen. Die sculpturen staan bekend als het vroegste voorbeeld van ‘non finito’, het bewust onvoltooide beeld als eindresultaat.

Dormire su una Nuvola is een figuur die ligt te doezelen op een wolk van metaaldraden. De schelp van gips heeft iets van een mensvormige sarcofaag, maar Luk Van Soom blaast meer dan ooit leven in zijn beelden. Dankzij die goudverf. Goud staat in Egypte voor goddelijkheid en het eeuwige leven. Nu bedriegt de goudverf onze hersenen, zodat we de holle vorm zien als een volle figuur. Een ongrijpbare verschijning.

Het portret van wijlen Frank Zappa knipoogt enigszins naar het gouden dodenmasker van Toetanchamon. In zijn atelier luistert de kunstenaar dikwijls naar muziek van Zappa, ook iets ongrijpbaars. En zie: het popgenie kijkt als het ware mee vanuit het hiernamaals. De mal als poort naar een andere wereld, tussen het materiële en het immateriële.

Als kind was Van Soom gefascineerd door verhalen van hemelvaarten en verschijningen. Noli me tangere, raak me niet aan, zei Christus bij zijn verschijning aan Maria Magdalena. Maria Magdalena THO is haar hemelvaart. Van opzij een getormenteerde figuur, verstrikt in de houten steunconstructie tegen de wand. Maar aan de voorkant krijg je het gevoel dat er iets bovennatuurlijks gebeurt. Het is een hoogtepunt in Van Sooms streven naar gewichtloosheid, dat werd aangestoken door de barokke plafondschildering van Andrea Pozzo in de kerk van Sant’Ignazio in Rome – een fresco van wervelende figuren die naar de hemel worden gezogen. Veel zweefkracht opeens. En dat met een halve mal in een steunskelet, een ateliersituatie eigenlijk.

In de kunstgeschiedenis zijn niet direct voorbeelden te vinden van de traditionele gipsen mal, die in zijn eentje een kunstwerk wordt. Allerhande mallen en de idee van de mal, dat wel. Te beginnen met Marcel Duchamp. Zijn gipsen mal van een vrouwenkont, een holle afdruk uit 1950-1951, prijkt op de cover van het tijdschrift Le Surréalisme, même. Via de fotografie kunnen de hersenen evengoed op het verkeerde been worden gezet, zodat we een holle vorm interpreteren als een bolle vorm. Al bij al sluiten de gouden gedaanten daar het meest bij aan. Voorts heb je Marcel Broodthaers en zijn conceptueel spel met ‘la moule’, een Frans woord dat zowel ‘mossel’ als ‘gietvorm’ betekent. En karrevrachten van negatiefvormen.
Maar de mal als autonoom kunstwerk? Eventueel valt bij deze reeks te denken aan George Segal, die lichamen dupliceerde met de techniek van gipsverband. Of aan Antony Gormley, zowel zijn sculpturen die refereren aan Egyptische mummiekisten als zijn energetische figuren van stalen staafjes. In het oeuvre van Didier Vermeiren, een onderzoek naar de identiteit van de beeldhouwkunst, vind je wel sokkels van gips, waarop telkens de gipsen mal van diezelfde sokkel staat. De grondbeginselen van de beeldhouwkunst en het werkproces zijn voor het eerst ook op post in de sculpturen van Luk Van Soom.

Maar nog meer het mirakel van de kunst.

Christine Vuegen